Twaalf wereldbeschouwingen ter verruiming van ons denken over astrologie

Aanleiding

Een reden om over dit onderwerp een verhaal te houden is mijn ervaring dat het heel moeilijk is om een goed gesprek te laten ontstaan tussen mensen met hele verschillende achtergronden en denkkaders. Een aardig voorbeeld in dit verband is het vaak moeizame gesprek tussen astronomen en astrologen. Wanneer dit gesprek echter wel lukt en de gesprekspartners zich open opstellen, goed luisteren en er oprecht naar streven de ander te begrijpen vanuit de manier van denken van die ander, kan dit leiden tot een hele bijzondere ervaring.  Daarbij is het mogelijk dat niet alleen het eigen denken verrijkt wordt met enkele nieuwe begrippen en inzichten, maar dat er een opening ontstaat naar een nieuwe manieren van denken. Mijn ervaring is dat het weet hebben van het bestaan en de waarde van verschillende denkrichtingen een hulp kan zijn bij het tot stand komen van dergelijke geestverruimende ervaringen. De openheid voor- en interesse in het denken van anderen kan in ieder geval hierdoor verhoogd worden.

In de geestelijke nalatenschap van Steiner, de grondlegger van de antroposofie, bevindt zich een beschouwing over 12 verschillende wereldbeschouwingen of denkrichtingen die  individueel en gezamenlijk een enorme bijdrage kunnen leveren bij het diepgaand begrijpen van elkaar en van talloze gebieden van de werkelijkheid. (lit.1) Deze denkrichtingen bieden ook de mogelijkheid om ons denken over astrologie te nuanceren en te verruimen. Verder kunnen ze gezichtspunten opleveren om het onderzoek naar de astrologie in methodisch zin te verruimen.

Twaalf wereldbeschouwingen of denkrichtingen.

Het is niet mijn bedoeling dit onderwerp hier uitgebreid te bespreken. Ik volsta hier met het geven van een korte en vrije weergave. Voor een gedegen oriëntatie is het beslist nodig om de genoemde reeks van vier voordrach­ten van Steiner te bestuderen (lit.1) en wel in het bijzonder de tweede voordracht waar de twaalf wereldbeschouwingen geïntrodu­ceerd worden.

R. Steiner spreekt er in deze tweede voordracht over dat er twaalf hoofdtypen van wereldbe­schouwingen zijn. Hij bedoelt hiermee dat alle overige wereld­be­schouwingen zijn op te vatten als combinaties van deze twaalf hoofdty­pen. Deze twaalf wereldbe­schouwingen geven toegang tot bepaalde gebieden van de werkelijkheid en kunnen daar­bij leiden tot ware en waardevolle inzichten op díe bepaalde gebieden van de werke­lijkheid. Het is niet zo dat slechts één wereld­beschou­wing waar is, maar de totale omvattende waarheid is toegankelijk langs de weg van deze twaalf wereldbe­schouwin­gen. Steiner doet daarbij een appèl aan ons om ons in alle twaalf denkstand­punten in te leven.

“Men moet werke­lijk, wanneer men het ernstig neemt met de waar­heid, de twaalf wereldbeschouwingsnuances in de ziel kunnen vertegenwoordigen…” (lit.1, p. 58)

Het intensief bezig zijn met deze twaalf wereldbeschouwingen blijkt dan bovendien een weg te zijn die voert van het eigen menselijke denken tot het universele ‘kosmische denken’ Dit kosmische denken of het “werelddenken” is in Steiners visie het wijsheidsvolle, scheppende denken wat ten grondslag ligt aan de schepping van de kosmos (en dus ook aan de schepping van al het leven op aarde, inclusief de mens)

Onderstaand overzicht plaatst de twaalf denkrichtingen in de ordening van R. Steiner:

(De nummertjes geven de volgorde aan waarin ze geïntroduceerd en besproken worden)

Steiner gaat uit van twee paren tegengestelde wereldbeschouwin­gen. Als eerste plaatst hij het materialisme, met zijn uitgangs­punt in de materie of in materiële deeltjes, tegenover het spiritualisme, met zijn uitgangspunt in de geest of in geestelijke wezens. Vervolgens plaatst hij het realisme, dat uitgaat van de wereld die in uiterlijke of ruimtelijke zin om ons heen zich uitbreidt, tegenover het idealisme, dat uitgaat van innerlijk te ervaren ideeën en idealen als de hoogste principes, waar alles uit ontstaan is.

Na de introductie van deze vier hoofd-wereldbeschouwingen gaat Steiner er toe over de tussenliggende wereldbeschouwingen te bespreken.

Het mathematisme is nauw verwant met het materialisme. Wanneer men namelijk de nadruk verlegt van het bestaan van atomen of elementaire deeltjes naar de wiskundige wetten of formules die de mechanische bewegingen beschrijven en voorspellen, is men mathematist. Voor een mathematist voeren meten, wegen en tellen tot ware kennis, namelijk tot die kennis die in een wiskundi­ge formule gebracht kan worden.

Het rationalisme is een verrui­ming van het mathematisme, want men kan er van uit gaan dat er behalve wiskundige ideeën ook nog andere ideeën in de wereld zijn verwerke­lijkt. Als verschil met de idealist neemt de rationalist alleen díe ideeën als werkelijk die men verstande­lijk of ratio­neel kan aflezen aan de zintuiglijke werkelijkheid en dus niet de ideeën die van binnenuit door een of andere intuïtie of inspiratie worden gevonden.

Het psychisme is gericht op de ziel en op bezielde wezens. De ideeën waar de idealisten over spreken kunnen niet op zich zelf bestaan maar ze zijn gebonden aan bezielde wezens. Het psychisme is daarom een verder gevoerd of verhoogd idealisme.

Het pneumatisme acht het niet voldoende dat er een of meerde­re wezens zijn die ideeën hebben. Deze wezens moeten ook iets actiefs hebben, ze moeten ook scheppend kunnen handelen. Terwijl het spiritualisme de wereld vervult ziet met de verschillende geesten van de hiërarchieën is voor de pneumatist de ene, alom­vattende wereldgeest het meest werkelijke.

Het monadisme wordt door Steiner een abstract spiritualisme genoemd. Het gaat uit van talloze op zich zelf bestaande wezens, door de wiskundige en filosoof Leibnitz “monaden” genoemd, die uit zichzelf voorstellingen naar buiten brengen. De menselijke ziel is een voorbeeld van zo’n monade. Er zijn monaden met zeer verschillende vaardighe­den en bewustzijnsniveaus.

Het dynamisme ziet krachten zoals zwaartekracht, magnetische kracht, levenskrachten enz. als het meest werkelijke in de natuur. Afzonderlijk en in een wisselwerking met elkaar bepalen deze overal werkzame, maar zelf onzichtbare krachten de processen in de natuur.

Het fenomenalisme is verwant aan het realisme, maar meent dat men alleen over de zintuiglijke wereld mag zeggen dat deze aan ons verschijnt. Men kan en mag dus niet gaan speculeren over een objectieve werkelijkheid “achter” de zintuiglijke indrukken.

Het sensualisme beperkt zich nog meer dan het fenomenalisme doordat het zich primair richt op de directe zintuiglijke indruk­ken. Alleen dat wat de zintuigen ons aan indrukken geven is werkelijk, wat wij met ons denken hieraan toevoegen is twijfel­achtig.

Hiermee zijn op een zeer summiere wijze de twaalf wereldbe­schouwingen aangeduid. In de vier voordrachten van Steiner over dit onderwerp, komt hij nog te spreken over de zeven zg. “ziele­stemmingen” die het denken in deze wereldbeschouwingen nog een eigen kleur geven en ook nog over “zieletonen” die het denken nog een eigen toon meegeven. Het valt echter buiten het kader van deze samenvatting om hier op in te gaan.

Denkrichtingen en het denken over astrologie

Vanuit deze verschillende denkrichtingen wordt het opeens heel erg begrijpelijk dat veel astronomen (haast per definitie) astrologie onzin vinden. Veel astronomen en andere exacte natuurwetenschappers denken namelijk sterk vanuit het mathematisme en materialisme als denkrichting (verg. het mechanistische wereldbeeld) en weten dat alle bekende krachten en energieën, zoals zwaartekracht, elektriciteit, licht e.d., in hun werking of intensiteit afnemen met het kwadraat van de afstand van de bron. De fysiek aantoonbare werkingen van planeten als mars of pluto zijn daarom volstrekt verwaarloosbaar ten opzicht van de andere werkingen en stralingen waar de mens aan bloot gesteld is. Kortom ze kunnen nooit gezien hun positie ten opzichte van de dierenriem, of ten opzichte van elkaar of ten opzichte van de stand van de horizon bij de geboorte enige invloed uitoefenen op het karakter van iemand die op dat moment geboren wordt.

Het is hetzelfde mathematisme als denkrichting die mensen aangeeft dat als er dan toch bepaalde invloeden van planetenstanden op mensen zou bestaan dit uitsluiten met mathematische middelen, bijvoorbeeld statistische middelen, uitgezocht kan worden.
    Een benadering vanuit andere denkrichtingen zoals het fenomenalisme en het realisme, zoals ik dit zelf hier twee jaar geleden gedemonstreerd heb is dan ook direct verdacht of ontoereikend. Het opmerkelijke gegeven dat ik in mijn bescheiden persoonlijke bestand horoscopen heb van mensen die biografisch gezien zeer veel overeenkomsten hebben en die astrologisch gezien ook zeer veel overeenkomsten hebben wordt onder de betiteling ‘toeval’ afgedaan. Hoogstens kan het in hun ogen materiaal zijn wat kan leiden tot het formuleren van een bepaalde these, die vervolgens alleen weer langs statistische weg getoetst kan en mag worden. Opmerkelijk zijn op dit punt de paralellen met het parapsychologische onderzoek: de bijdrage van onderzoekers zoals Tenhaeff die meer casuïstisch en fenomenologisch te werk gegaan zijn, wordt door veel gangbare natuurwetenschappers niet serieus genomen. Zij willen blijven doorgaan met laboratorium experimenten zoals die al in de eerste helft van deze eeuw zeer uitvoerig gedaan zijn door o.a. Rhine in Amerika. Want daar kan je weer statistiek op los laten. Het trieste is dat zulk onderzoek meestal alleen bevestigt dat een verschijnsel als helderziendheid bestaat, maar weinig inzicht oplevert in hoe helderziendheid in zijn werk gaat.
     Veel astrologen gaan uit van een idealistische of psychistische benadering van de astrologische verschijnselen.(Verg. lit. 3) Hoe het werkt is voor dit soort astrologen vaak niet interessant, de macrokosmos is voor hen een betekenisvol psychisch systeem en mensen als microkosmische wezens hangen op een zinvolle maar niet te doorgronden wijze met dit macrokosmische systeem samen. Het spreken over archetypen, collectief onderbewuste en synchroniciteit is kenmerkend voor de psychistisch georiënteerde astrologen. Een begrip als synchroniciteit is echter alleen te rechtvaardigen als het in de beschrijvende zin gebruikt wordt, want het verklaart namelijk niets. Twee verschijnselen die steeds vrijwel gelijktijdig optreden en waarvan de een niet de oorzaak van de ander is geven alleen aanleiding om te zoeken naar een oorzaak waar beide verschijnselen een direct of indirect gevolg van zijn.
    Een spiritualistische beschouwingswijze gebaseerd op helderziend onderzoek van het leven van de mens tussen dood en nieuwe geboorte in verschillende  ‘planetensferen’ (de zg. kosmische biografie) waar ik twee jaar geleden ook iets over verteld heb, is al helemaal uit den boze voor iemand die niet verder wil gaan dan de bovenste denkrichtingen uit het schema. Toch kan juist vanuit een spirituele visie, inzichten aangereikt worden, die een werkelijk begrijpen van de astrologische fenomenen dichterbij kunnen brengen.

Een boeiend voorbeeld is Guenther Wachsmuth (lit 4), die uitvoerig stervenshoroscopen betrekt in zijn astrologisch onderzoek. Ook werkt hij vanuit dezelfde spiritualistische denkrichtingen met reïncarnatiereeksen waarbij vier horoscopen (twee geboorte- en twee stervenshoroscopen) van dezelfde individualiteit, in verband gebracht worden met de twee aardse biografieën.

Literatuur

  1. Rudolf Steiner, Der menschliche und der kosmische Gedanke, GA 151, Nachlassverwaltung, Dornach, Zwitserland.
  2. Bob Siepman van den Berg, Twaalf denkrichtingen en de methodische stappen in de fenomenologie van Goethe en Steiner, Louis Bolk Instituut, Driebergen
  3. J.J.Ram, Psychologische astrologie, J. Couvreur, Den Haag
  4. Guenther Wachsmuth, Kosmisch aspekte von Geburt und Tod, Beiträge zur Karma-Forschung, Philosophisch-Anthroposophischer Verlag, Dornach, Zwitserland.