Grieks- Romeinse cultuurperiode (van ca. 1800 tot ca. 100 v. Chr.)

Astronomisch lentepunt in Ram, werkzaamheid op aarde: van 747 v. Chr. tot 1413

Vanaf 700 voor Christus zie je een soort ontwaken van het denken. Mythologische scheppingsverhalen worden vervangen door meer natuurlijke verklaringen van het ontstaan van de wereld. Niet alleen in Griekenland verschijnen mensen die over de werkelijkheid gaan nadenken maar in India verschijnt Boeddha en in China Lao Zi en Confucius. In Griekenland verschijnen de eerste natuurfilosofen, Thales v. Milete, Anaximedes en Heraclitos.

Zelfs in de Ilias en de Odyssee van Homerus onderscheidt zich de hoofdpersoon Odyssee door zijn schranderheid of slimheid (Odyssee verzint o.a. de list van het houten paard). Het beeldbewustzijn of mythologisch bewustzijn maakte steeds meer plaats voor een denkend bewustzijn. Het dromerig in de natuur staan bij de Egyptenaren, werd een wakker en harmonisch in de natuur staan bij de Grieken. De Griekse beelden van goden en mensen zijn subtiel geïdealiseerd, maar toch veel realistischer dan de Egyptische. De Griekse of Hellenistische astronomie kenmerkt zich door een grote nauwkeurigheid in het waarnemen en opmeten van de posities van sterren en planeten. In de vroeg Griekse cultuur, de tijd van Homerus, overheerste nog het Egyptische beeld van de aarde als een platte schijf omspoeld door een wereldzee; Oceanos genoemd.

In het begin beschouwde men de planeten nog als goden. Zelfs voor Aristoteles was de planeet Venus nog de godin Aphrodite! Voor Anaximenes zijn sterren een soort spijkers die in de kristallijne hemel zijn geslagen. De zon zou een gloeiende steenklomp zijn niet veel groter dan de Peloponnesos; een deel van Griekenland. In het verloop van de Griekse cultuur ontstond, naast het oude meer antropocentrische beeld van de aarde als een platte schijf, het z.g. geocentrische wereldbeeld, waarin de aarde in het midden als een stilstaande bol beschouwd werd. De Griek Heraclides Ponticus leerde reeds de dagelijkse draaiing van de aarde om z’n as, terwijl Aristarchus van Samos als eerste met een heliocentrisch wereldbeeld kwam, wat echter weinig bekendheid kreeg. Hij leerde dus dat de aarde ook nog eens om de zon draaide in een jaar!

De nauwkeurige waarnemingen leidde ertoe dat men de lusbewegingen van de planeten ging ontdekken en dat was een grote schok voor het toenmalige denken. Het idee dat de goden als een soort dronken lieden door de dierenriem schuifelden, soms ook achteruitlopend, kon men moeilijk accepteren, laat staan begrijpen. Plato deed, in de vorm van een prijsvraag, een oproep aan zijn tijdgenoten hoe men deze merkwaardige bewegingen zou kunnen verklaren. Van de vele oplossingen werd die van Hipparchos het meest bekend, mede doordat Ptolemaeus6 in zijn boeken zijn z.g. epicycle theorie overnam en vervolmaakte. Het was ook Hipparchos die de verschuiving van het lentepunt ontdekt en beschreven heeft. Hij ontdekte dit door zijn eigen waarnemingen en metingen te vergelijken met de Babylonische waarnemingen. Zo merkte hij ook op dat nog in de tijd van Homerus de Grote Beer niet onderging, terwijl dat in zijn tijd wel gebeurde. Ook de tijdspanne waarin deze verschuiving van het lentepunt zich voltrok wist hij te bepalen op ca. 26.000 jaar (tegenwoordig is het vastgesteld op ongeveer 25.920 jaar). Ptolemaeus was een verzamelaar van astronomische kennis en hij vatte deze kennis samen in een groot astronomisch standaard werk de Almagest. Ook schreef hij astrologische standaardwerken, de Tetrabiblos en geografische boeken. Hierdoor kreeg het geocentrische wereldbeeld en de epicycle theorie van Hipparchus grote bekendheid.

Tijdens de middeleeuwen bloeide de astronomie in de Arabische landen, terwijl er in West-Europa zeer weinig mee werd gedaan. Veel sterrennamen die wij nu hanteren hebben een Arabische oorsprong. Ook astronomische begrippen zoals zenit en nadir komen uit het Arabisch.

±1700- 1100 v. Chr.
Oude lijst van 36 sterren. Te Babylon: de god Marduk heeft het jaar geschapen, voor elke maand in het jaar had hij drie sterren gemaakt
±1700- 1100 v. Chr.
1550 – 1086 v. Chr.
Het Nieuwe Rijk van Egypte met Thebe als hoofdstad. Nieuwe gebieden werden veroverd, een rijk van Syrië tot Nubië. Farao’s uit deze tijd Achnaton en Nefertete, Toetanchamon, Ramses II en Ramses III
1550 – 1086 v. Chr.
13e eeuw v. Chr.
Grieken tegen Troje
13e eeuw v. Chr.
± 1100 – 700 v Chr.
31 sterren of stergroepen kregen van de Babyloniërs een naam
± 1100 – 700 v Chr.
± 800 – 600 v. Chr.
De oude Grieken noemen Venus als morgenster Phosphorus-Lucifer en als avondster Hesperos Mercurius werd als morgenster ook Mercurius genoemd en als avondster Apollo
± 800 – 600 v. Chr.
600 jr v. Chr.
Begin van de natuurwetenschap vanuit Griekenland Bij de Babylonische – Chaldeeuwse sterrenkundigen ontstond een sterrenwetenschap. Er werden constellaties opgetekend, door berekening trachtte men te weten te komen wat voordien intuïtief ervaren werd. Er werd bijvoorbeeld gekeken naar het teken waarin de Maan stond bij de heliakische opkomst van Sirius (ster uit sterrenbeeld Grote Hond). Op grond hiervan werd het weer en de oogst voorspeld.
600 jr v. Chr.
500 v. Chr.
Pythagoras ontdekte dat Phosphorus en Hesperos een en dezelfde planeet is en beleefde daarin twee verschillende verschijningsvormen van Aphrodite, godin van de schoonheid. Voor ons Venus.
500 v. Chr.
356 – 323 v. Chr.
Alexander de Grote veroverd vanuit Griekenland Klein Azië, Egypte, Babylon, het Perzenrijk waardoor oosterse en westerse beschaving gingen samensmelten
356 – 323 v. Chr.
300 v. Chr.
Ontstaan van de astronomie
300 v. Chr.
280 v. Chr.
Ontstaan van de 1e Griekse ‘Academie voor Astrologie’ op het eiland Kos
280 v. Chr.
162 – 126 v. Chr.
Hipparchus schrijft de 1e sterrencatalogus. Bij elk van de 48 sterrenbeelden had hij van alle sterren de plaats opgemeten. Van 850 sterren waren de plaatsen aan de hemel meetkundig aangegeven. Hij had de sterren op helderheid gerangschikt en ondergebracht in zes verschillende grootten, klassen (magnitude). Het hoogst genoteerde getal geeft het zwakste licht aan
162 – 126 v. Chr.
146 v. Chr
De Romeinen namen van de Grieken hun goden, sterrenbeelden en mythologie over. De goden, helden, sterrenbeelden en planeten kregen een Latijnse naam. Romeinse inlijving van Hellas; sindsdien komen Griekse kunsten, mythologie, wetenschappen en godsdienst Rome binnen en worden door de Romeinen op eigen wijze verwerkt
146 v. Chr